Hij was mijn eerste,
en mijn laatste.
Vanaf het prille begin leek het gedoemd te mislukken,
maar dat het begon was onvermijdelijk.
Het leek alsof hij een zaadje plantte in mij,
dat binnen een mum van tijd groeide tot een prachtige rozenplant
met vlijmscherpe doorns.
Het leek alsof ik voor hem was gevallen
in een eindeloze put
terwijl ik wild om me heen greep.
Ik vond houvast in de mooie momenten
en zakte wat dieper weg in de slechte.
Ik hield van hem: Het soort houden van vol haat.
Soms was ik geneigd hem heel liefjes te wurgen.
In zijn gezelschap voelde ik me alleen,
wanneer ik naast hem lag,
of in zijn armen die geen warmte boden
maar waarin ik me thuis voelde.
In een huis waarin het constant tochtte,
waar ik constant op zoek was naar een warm plekje
maar getreiterd werd door een gure wind.
of in zijn armen die geen warmte boden
maar waarin ik me thuis voelde.
In een huis waarin het constant tochtte,
waar ik constant op zoek was naar een warm plekje
maar getreiterd werd door een gure wind.
Hij was mijn allerliefste,
maar niet de allerliefste.
Ik moest hem accepteren zoals hij was.
Daar moest ik mee leven.
Hij daagde op,
wanneer hij er zin in had,
deed wat hij kwam doen,
vertrok en liet mij onzeker en gekwetst achter.
Hij merkte het niet,
dat ik van binnen huilde,
dat ik in een constant gevecht was,
met de tranen die achter mijn ogen prikten.
Hij merkte het niet,
als ik naar de kapper was geweest.
Het viel hem niet op,
dat ik trots was op mijn nieuwe schoenen.
Mannen zij niet de meest attente wezens,
hield ik mezelf voor.
Ik bakte pannenkoeken voor hem,
die hij vervolgens niet op at
omdat hij op eens in een slechte bui was.
Ik wachtte soms op hem.
Hij kwam niet opdagen.
Ik vond er alleen maar vragen,
geen antwoorden.
geen antwoorden.
Verschillende malen was ik geneigd om schaamteloos weg te lopen,
Ik liep niet weg maar drukte mijn lippen op de zijne.
Tot diep in de nacht maakten we vervolgens ruzie.
Soms liep ik weg,
en keerde kruipend op handen en voeten bij hem terug.
‘Waarom blijven we bij elkaar?’, vroeg hij soms aan mij.
Mijn antwoord was: ’Omdat wij dat willen en omdat ik van je houd.’
Of dat laatste wederzijds was, zal altijd een raadsel blijven.
Hij was me er eentje.
Hij had twee hobby’s.
Dit waren de twee grote liefdes in zijn leven, en nog steeds.
Drinken en feesten, twee hobby’s, die hij tegelijkertijd kan uitvoeren,
komt hem dat even goed uit.
Het lijkt gisteren,
Ik bracht water naar zijn mond,
legde zijn hoofd op mijn kussen.
Het lijkt alsof het gisteren was.
‘Ik houd van jou.’, bracht hij uit.
Vervolgens zakte hij weg in een diepe coma,
die drie uur duurde.
Ja, hij hield van me,
beweerde hij als het alcohol naar zijn hoofd was gestegen,
en alleen dan, veranderde hij in een lieve vent,
waar ik meestal alleen naar kon verlangen,
wanneer hij in een nuchtere toestand verkeerde.
Maar soms loopt de emmer over.
Een druppel, moest de laatste zijn.
Ik had me te lang vastgeklampt aan een illusie,
een heden zonder toekomst.
Wij waren tegenpolen.
Ik keek naar de toekomst,
Hij niet verder dan vandaag..
Het liefst zag ik hem gelukkig,
maar onze definities van geluk bleken te verschillen.
Ik keek met veel verdriet toe, hoe hij zijn leven verknoeide.
Dat hij achter mijn rug flikflooide met zijn beste vriendin deed er niet toe,
dat was bijzaak.
Toen maakte ik een besluit.
Hij huilde krokodillen tranen,
smeekte om mijn vergiffenis,
om een tweede kans.
Zijn kansen had hij verspild.
Mijn besluit stond vast.
Mijn besluit stond vast.
Met pijn in mijn hart ging ik er van door,
en liet een leegte achter.
Die leegte was binnen de kortste keren gevuld,
tenminste dat denkt zij.
Bijna een jaar lang was hij mijn alles,
maar boven alles een groot raadsel.
Hij was een onbegrijpelijk wezen,
waarvan ik hield met hart en ziel.
Het oppervlakkige en ondoorgrondbare aan hem,
fascineerde me.
Hij joeg me dikwijls op de kast
en kwetste me.
Hij kon mijn haren rechtop doen staan,
met een simpele aanraking
Het bloed onder mijn nagels vandaan halen,
met zijn gedrag.
Hij duwde me weg,
en trok me vervolgens weer in zijn armen,
totdat hij me in de armen van een ander dreef.
Ik was de hoer.
Het is 5 jaar geleden,
soms zoekt hij contact met mij op.
Hij droomt over me.
Ik was speciaal.
Hij vraagt of ik hem mis,
en denkt er wel eens over na om met mij te trouwen.
Mijn neefje,
toendertijd 8 moet zich altijd overal mee bemoeien.
'Gaan jullie trouwen?', vroeg hij.
Ik was 17 en naïef en geloofde in ‘…en ze leefden nog lang en gelukkig.’
Ik gaf eerlijk antwoord.
‘We gaan niet trouwen.’
‘Dus je houdt niet van hem?’, vroeg hij.
‘Jawel,’ antwoordde ik,
‘maar niet genoeg om te trouwen.’
Terugkeren doet pijn,
maar ik keer regelmatig terug,
met gemengde gevoelens,
die hij niet lijkt te ervaren.
Het was een liefde als een ziekte,
waaraan ik leed in het verleden,
dat me nog steeds beïnvloedt in het heden
en me nog altijd zal achtervolgen in de toekomst,
als een wijze les.
Feestbeesten en zuiplappen,
koudbloedigen en leeghoofden zal ik voortaan vermijden.
Nooit en te nimmer zal ik er weer een relatie mee beginnen.
Dat ik zielsveel van hem hield,
is de waarheid als een koe,
maar het was
een liefde vol leed.
een liefde vol leed.
Links naar verhalen die hiermee te maken hebben:
- De laatste druppels
- een kort bezoek
- we accept the love we think we deserve
- vrij gezellig
- Ik wacht
- hoe noem je iemand...
- Rorschach
- want het moet
Links naar meer drama
Geen opmerkingen:
Een reactie posten