zondag 17 maart 2013

Achter de wolken, schijnt de zon!


Scherven vlogen in het rond.

Ik staarde wat ongelovig naar mijn hand en betastte met mijn ene hand de andere, op zoek naar glasscherven die zich mogelijk in mijn huid hadden vastgeboord en zich nu een weg boorden, steeds dieper in mijn huid, richting mijn hart.
Ik ken mijn eigen krachten niet. Een glas was in mijn hand uit elkaar gespat. Er lag overal glas, maar wonder boven wonder was ik ongedeerd. Er kwam geen kip kijken of alles in orde was en waarom ik zo'n herrie maakte. Ik had aanstellerig gegild.
Mooi was dat.
Later sprak ik de twee mannen, waarmee ik het grootste gedeelte van de tijd samenwerkte, er op aan.
Het was een aparte combinatie, twee tegenpolen, elk met hun eigen probleem en baggage, die elkaar in balans leken te houden. Het beloofde een interessante dag te worden.



Mijn telefoon had me gewekt uit een heerlijke nachtrust, van slechts 5 uur. Naast me lag een van mijn beste vriendinnen nog heerlijk te slapen, als een cocoon onder het dekbed, toen ik mijn hand uitrekte en zo snel mogelijk de telefoon opnam, om haar niet te wekken.
Toen ik ophing sprong ik onder de douche en kleedde me rustig aan, deed wat ik moest doen en dat allemaal heel stilletjes, ontbeet en vertrok. Ik schreef haar een kort briefje en liet haar vervolgens slapend achter.

'Ik weet dat je het niet fijn vindt dat we je 's morgens bellen, maar we hebben vandaag een goede cateringmedewerker nodig om te werken bij de rechtbank', hadden ze aan de telefoon gezegd.
Ik weet niet of het echt zo was of dat het geslijm was om me zo ver te krijgen om het werk aan te nemen en uit bed te stappen, om 8 uur, maar wat het ook was, het werkte.
Ik voelde me geroepen.' Werken bij de rechtbank, spannend!

Fijn. Ik zou te laat komen en mijn witte (hoe verzinnen ze het om iemand in de catering met een witte blouse te laten werken?) was gekreukeld en zat onder de gele vlekken omdat ik geen tijd had gemaakt om het in de was te gooien. Daar zullen ze het bij de rechtbank maar mee moeten doen, dacht ik.
Op het laatste moment sprong ik toch een halte eerder uit de bus en rende ik mijn uitzendbureau binnen. Mijn werkgevers toverden een te groot exemplaar voor mannen tevoorschijn. Het zag er in ieder geval beter uit dan wat ik aanhad. 'Het was te groot maar je moet het maar in je broek proppen', werd erbij gezegd.
Prima. Ik vloog het gebouw uit. Binnen 10 minuten stond ik weer buiten en vervolgde ik mijn pad.



















Zwetend kwam ik aan, 10 minuten te laat, maar het was geen probleem.
Toen ik aankwam merkte ik al snel dat ik me geen zorgen had hoeven maken. Na de paspoortcheck en de controle werd ik opgehaald. We stapten in de lift.
Toen ik boven aankwam gaf ik een lange dunne man, met een brilletje, die blijkbaar de leiding had, een stevige hand, en ging aan het werk. Iets was me meteen opgevallen. Het was moeilijk te negeren. Hij had gigantische oren. Zijn haar was schuin over zijn voorhoofd gestreken en vast geplakt met een gigantische hoeveelheid gel. Het was een hele aardige kerel.
'Goed bezig.', hoorde ik na een tijdje.



 Hij vertrok al snel naar een andere locatie. 'Tot ziens', zei hij toen ik wegging.  Toen hij er was, was het gezellig, maar toen hij vertrokken was kon het feest pas echt beginnen. Wij dansten als muizen op tafel.




Ik had het al snel door. Ik was niet de enige die gek was. Er was een grapjas, met een blonde stekeltjes en een raar loopje, net een pinguin. Hij was de eerste die ik ontmoet had toen ik net het gebouw was binnengelopen. Ik kon het prima met hem vinden.
Hij was een en al zonneschijn. Hij lachte altijd, ook om zichzelf als wij dat niet deden.


Het was wat frisjes in de keuken. Ik sloeg mijn armen om me heen.'Heb je het koud?', vroeg de grapjas.
'Ik kan je wel even warm houden.'  Ik had een paar stappen van hem vandaan gedaan, richting de spoelkeuken maar toen stond ik stil en keerde ik me naar hem om. 'Wat zei je?', vroeg ik. Ik kon mijn oren haast niet geloven. 'We moeten maar eens gaan opbouwen, dat zei ik.' We barsten allebei in lachen uit.

Toen alles gereed was, restte er alleen nog het wachten op de klanten. Ik liep een rondje door de keuken. 'Dat ziet er goed uit.', zei ik tegen de  grapjas. 'Bedankt!.', zei hij. Mijn blik was gericht op het beleg.  'Oh.', zei hij daarna. 'Ik dacht dat je bedoelde dat ik er goed uit zag.'  Wat een grap! Ik kwam haast niet bij van het lachen. Opeens werd de hij vuurrood. Hij leek niet langer op een clown, maar op een tomaat.
Niet iedereen kon erom lachen.




De hele dag lagen de clown en ik een deuk. Op een gegeven moment dansten wij om de grijze wolk in de keuken. Op een gegeven moment scheurde de clown op een kar door de keuken. Ik geloofde mijn ogen niet. Dit had ik nog nooit meegemaakt. Geweldig!
Ik genoot met volle teugen.

Er was een eerste klas pretbederver bij. Die pessimist kon niet mee genieten.
Het deed letterlijk pijn aan mijn hart als ik een grappige opmerking maakte, in de hoop hem te doen lachen, maar zonder resultaat. Hij gooide de ene na de andere pessimistische opmerking in mijn gezicht. Hij vond het allemaal niet zo grappig.


Het was pauze. We zaten aan tafel. Ik nam wat tonijnsalade en een kaassoufle. 'Wat tegenstrijdig' merkte de grijze wolk op. 'Ja lekker tegenstrijdig', zei ik. Ik nam bewust plaats aan tafel zodat ik naast de clown kwam te zitten en tegenover de pessimist. Ik was vastbesloten erachter te komen, wat er achter die grijze wolken verstopt zat. Op een gegeven moment ging de clown naar buiten om te roken. 'Normaal gesproken blijf ik altijd alleen achter', zei de pessimist. 'Ik ook.', zei ik. Hij nam het initiatief en vroeg me hoe vaak per week ik werkt. 'Maximaal twee keer per week.', zei ik. Ik vermeldde er express bij dat ik naast het werken ook naar school ga. Dit was  voor hem een aanleiding om ook wat meer te vertellen. 

De aap kwam uit de mouw. Het bleek een vervelende snotaap te zijn, zo eentje waarmee heel moeilijk te leven valt.


Ik snapte toen, waarom hij zo deed zoals hij deed. Opeens had ik begrip voor het feit dat zijn bui grijze wolken toverden aan mijn hemelsblauw humeur.

Ik dacht eerst dat hij verwaand was, want hij zei niks. Hij keek me niet aan. Hij lachte een spottend lachje. Hij lacht me uit, dacht ik.  Maar hij is gewoon vermoeid en verbitterd, vermoeid van het leven, verbitterd omdat het allemaal niet zo goed gaat als hij wilt, misschien wat depressief.
Hij was al een jaar afgestuurd, met een diploma marketing op zak, maar nog steeds werkzoekende.
Hij had al 9 jaar een vriendin, maar ze woonden niet samen, laat staan dat ze getrouwd waren. Ik durfde niet te vragen hoe het ging met zijn relatie, dat zijn mijn zaken niet.


Op een gegeven moment vroeg ik aan  hem waar de dichtsbijzijnde wc was. 'Ergens in het gebouw.', zei hij bijdehand. 'Ja, maar waar?' Ik kon er wel om lachen. 'Hier naar links, de deur uit en dan weer naar links,zei hij.' Ik begon te lopen, maar nadat ik een paar stappen van hem vandaag was, was ik al weer vergeten wat hij me net had verteld. Hij keek me na. 'Naar links..', zei hij 'deur uit en dan mag je kiezen of je naar rechts of naar links wilt maar links is de wc.'
Hij was dus wel in voor een grapje.
Vervolgens, nadat ik mijn behoeften had gedaan, stond ik wel 5 a 10 minuten, als het niet langer is voor een gesloten deur, die tussen mij en de kantine lag. De mensen bij de receptie waren zo vriendelijk geweest om me een bezoekerspas te geven waar ik dus geen bal aan had. Daar stond ik dan, met het kaartje voor het apparaatje te zwaaien, die de deur moest doen open vliegen. Ik probeerde het een keer, twee keer, drie keer, lag het soms aan mij? Er gebeurde niets.


Niemand scheen me te missen. Ik besloot even rond te kijken, maar ik had het binnen de kortste keren allemaal wel gezien.
Aan de andere kant van de gang zat er een andere deur die mijn ontdekkingstocht tot een einde bracht.



Toen zag ik de pessimist eindelijk om de hoek komen met een kar beladen met vuilniszakken. Ik klopte op het raam. Hij zag me. Er verscheen een lach op zijn gezicht. Hij kwam naar me toe en deed de deur voor mijn open. 'Heb je geen pas gekregen?', vroeg hij  en toverde zijn dagpas tevoorscheen. 'Dan moet je de volgende keer een dagpas vragen.'





De tweede pauze was wat gezelliger dan de eerste. Zelfs te gezellig.
De pessimist gooide wat kruimels brood in het melk van de clown, die twee volle glazen melk voor zichzelf had ingeschonken. Als reactie daarop gooide hij een stuk brood in het blikje sprite van de pessimist. 'Er zit toch niks in', zei hij. In mijn hoofd zag ik hoe het mis ging. In mijn hoofd waren ze al lang een voedselgevecht begonnen.  Ik stond op en liep weg, om mezelf te behoeden voor het gevaar dat dreigde. 'Ik ga weer verder.' 'Je mag ook nog even blijven zitten', zei de clown.
Geen sprake van, dit dreigde uit de hand te lopen.

Ik ging weer aan de slag.
'Denk je dat ik dit erin kon gooien?'
Ik stond op 2 meter afstand van een prullenbak met een ei in mijn hand. De clown pakte het ei van me af en gooide het tegen de muur. We schoten in de lach.
Dit was voor mij een teken: De pret mocht beginnen. De clown keerde schaterend terucg naar de tafel en liet mij met wat andere eieren, een kaassoufle en een kroket achter.
Ik mikte de andere eieren in de prullenbak.
Toen was het de beurt aan de kaassoufle. Die viel ernaast. Helaas. Ik had nog een kans. Er restte nog een kroket.
Ik gooide de kroket richting de prullenbak. Hij kwakte op de grond en viel met een zachte plof uit elkaar op de keukenvloer. Ik kwam haast niet meer bij van het lachen. Toen de clown aan kwam lopen met hun dienbladen begon ik nog harder te lachen. Ze hadden geexperimenteerd met wat sprite en melk. Een bruisend wit goedje uit het blikje naar boven.
De pessimist had gelogen. Er had wel degelijk sprite in het blikje gezeten. Ook het dienblad zat onder de sprite. De clown liep voorzichtig naar de wasbak en liet het dienblad erin vallen.



Het was elke keer een feest op werk, maar ik had nog nooit zo veel gelachen.
Het was een echte lach die vrijkwam, een echte lach die lachrimpels tovert rond je ogen, waarbij je een paar keer uitademt, zonder in te ademen en haast stikt , bijna tranen huilt, nog net niet op de grond rolt van het lachen, zo'n lach, dat was voor het eerst.

Af en toe zag ik hem lachen. Niet zo'n lach als ik lachte, maar het kon ermee door.


'Hij is een Wajong werker.', had de pessimist aan mij verteld. Hij had het over de clown.
Vanaf dat moment, was mijn blik, of ik het wilde of niet, veranderd. Ik zag opeens geen  vrolijkheid meer, als verklaring voor zijn uitbundige, ongeremde, uitdagende gedrag, maar ik ging op zoek naar een stoornis. Wat het was, dat zo erg was, dat het hem belemmerde om 'normaal' te werken, daar kwam ik niet achter. Hij kon verrichtte prima werk.

Ik begreep opeens waar die opmerkingen vandaan waren gekomen en waarom het aan tafel uit de hand dreigde te lopen. '
Hij moet zich eigenlijk normaal gedragen', als er uitzendkrachten bij zijn, zei de pessimist.

'Maar het is ook wel fijn, je komt niet veel mensen tegen die zo vrolijk zijn als hij.', zei hij. 'Daarom ben ik hier ook gebleven. Die oude vrouwtjes die je vaak tegenkomt in de horeca zijn zo chagrijnig.' Ik gaf hem  helemaal gelijk. Ik kan er over mee praten.
'Ik ben wel vrolijk!.', zei ik. 'Ja jij.'
'Het is hier net een gekkenhuis', zei de clown.

Ja, dat kun je wel zeggen, dacht ik.
Maar een beetje gek is niet gek. Dit was te gek! Wat een gezellige boel.



Aan het eind van de dag leken de grijze bui wat te zijn opgeklaard. Tijdens het werken merkte ik op een gegeven moment dat ik hem had aangestoken had, doordat ik constant liep te zingen.
De clown stapte op zijn scooter en reed zonder op of om te kijken weg. Wij liepen samen richting het station.

We spraken nog wat en toen gingen we uit elkaar.
 'Succes met het vinden van een baan. Ik hoop je nooit meer tegen te komen in de catering. Het was gezellig', zei ik.En weg was hij.

De grijze wolken waren verdwenen.
Hij zou niet opgeven en hij zou binnenkort verhuizen.
Dat zal nieuwe kansen bieden en het zal goed komen.
Achter de grijze wolken schijnt de zon.





1 opmerking: