vrijdag 18 april 2014

Krijg allemaal de .....

Er waren zo'n 5 medewerkers aan het werk in de grote kantine van de multinational. Ik begroette hen. Niemand begroette mij. Er werd geen vinger naar me uitgestoken, laat staan een hand. Ok, dacht ik licht verontwaardigd. In plaats daarvan werd ik op een niet al te enthousiaste manier begeleid naar het kantoor met het bordje 'cateringmanager' naast de deur.
Een lange man met kort bruin haar schudde mijn hand. Hij noemde zijn naam. Hij leek me aardig. Maar hij liet er geen gras over groeien, voor een praatje was er blijkbaar geen tijd,  en begeleidde me naar de spoelkeuken¹

'Mag ik eerst wat koffie drinken voordat ik aan het werk ga', vroeg ik.
Ik had koffie nodig om mijn motor op te starten. Vanmorgen werd ik om kwart voor 9 namelijk vermoeid wakker met een kater, terwijl ik gisteren tussen het dansen door alleen water gedronken had en toch redelijk vroeg, om 3 uur, in bed lag. De douche mocht ook niet baten, koffie dus...

Ik kon aan zijn gezicht zien dat hij mijn vraag niet had verwacht. Hij leek er ook niet al te blij mee. Hij wierp een blik op zijn horloge voordat hij mijn vraag beantwoordde.  Hij kon me onmogelijk koffie weigeren, wist ik. Het was half 11 en ik moest om 11 uur beginnen. Ik was vroeg.
Bij het meisje in de coffeecorner ² kon er geen lach af. Gezellige boel. Een paar minuutjes later  nam ik kleine slokjes van mijn cappuccino terwijl ik mezelf weg wijs begon te maken in de spoelkeuken. 
Ik moest het blijkbaar alleen uitzoeken.  Toen ik erom vroeg, bleken ze in de koude keuken³ om de hoek geen geduld te hebben om me even uit te leggen hoe ik de spoelapparaat aan moest zetten. 'Uitzendkrachten', zuchten zij.

Het werd me al snel duidelijk. Vandaag had ik te maken met strontchagrijnige mensen.
Kan gebeuren. Soms heb je als uitzendkracht pech. Ik trok me er niet al te veel van aan en ging aan het werk. In de spoelkeuken staan is soms, zoals nu het geval was, heel fijn. Het vaat zeikte niet in mijn hoofd dus ik werkte terwijl ik zong en floot.

Al snel kreeg ik gezelschap. 
Ik maakte kennis met Amanda, waarvan ik de naam later weer vroeg omdat ik die al snel was vergeten. Daarna leerde ik ook Omar kennen. Oh nee, Umar en later Kumar. Kumar dus, en niet Umar.
‘Hoe heet jij’, vroeg Kumar. Xenia, zei ik. Ik zei ‘Xenia’ maar hij hoorde waarschijnlijk ‘Senia’ want zo spreek je het ook uit. Indiaas, vroeg hij.  ‘Nee van Curacao’, zei ik.
'Daar gaan Nederlanders graag op vakantie', zei hij.
Kumar woont al 5 jaar in Nederland en werkt al 5 jaar bij hetzelfde bedrijf. 'In Nederland meteen werken' zei hij.
‘Vind je het hier nog steeds leuk’, vroeg ik. ‘Ja, hoezo?’, antwoordde hij. ‘De mensen zijn zo chagrijnig’, fluisterde ik. Hij legde uit dat het vrijdag is en dat ze naar huis willen, dat ze op maandag wel heel vrolijk zijn en dat het rustige mensen zijn die niet gewend zijn aan iemand die lacht en zingt.
Kumar vond het wel grappig dat ik zo vrolijk was en zo veel energie had. De anderen dachten er zo te horen anders over. 
‘Fluiten en zingen mag hier niet’, zei Kumar. Ik kon mijn oren haast niet geloven. ‘Grapje’, zei hij later.

De lange man met het bruine haar kwam op een gegeven moment de keuken binnen. ‘Hoe gaat het met je?’, vroeg hij. Wat aardig dat hij zich om mij bekommert, dacht ik. ‘Prima,’ zei ik opgewekt. ‘Kan je je proberen in te houden,’ ging hij verder ‘Je hoest de hele tijd. De mensen in het restaurant hebben het erover. Zet anders je hand voor je mond wanneer je hoest.’  Dat gaat wat moeilijk met een bord in je handen meneer en nee ik ben niet ziek.

Wat eerder werd ik er in de koude keuken ook op aangesproken. ‘Dat klinkt niet goed’, zeiden ze.  Ik begon uit te leggen dat ik een maand ziek was geweest maar nu weer beter…  Ze waren blijkbaar niet geïnteresseerd in mijn verhaal. ‘We vinden het allemaal best als je ons maar niet aansteekt’, zei een wat oudere mevrouw met kort blond haar. De rest schoot in de lach.

Kumar was niet bang dat ik hem aan zou steken. Kumar bracht een hele hand met keelsnoepjes voor me, met aardbeiensmaak.  Amanda bood me er later nog eentje aan maar toen was ik er al zat van.

‘Wil je wat drinken, cappuccino’, vroeg een van de andere wat jongere meisjes met wie ik vandaag werkte.  ‘Wat water graag’, zei ik. ‘Is kraan water goed’, vroeg zij. ‘Prima’, zei ik met een glimlach op mijn gezicht. Toen ze haar rug naar mij omkeerde veranderde de glimlach in een frons. Waarom werd mij als werknemer bij een schatrijke multinational een klein glaasje kraanwater aangeboden?  Maar ok, kraanwater , prima, dat drink ik immers altijd.

Op een gegeven moment begon mijn maag hevig te knorren. Het was half 2 en ik had om half 10 ontbeten . Het werd tijd voor wat voedsel in mijn maag, die daar om riep. De rest had om 11 uur gegeten, toen ik pas binnen was gekomen. Er werd toen niet aan mij gevraagd of ik ook wat lustte (Dat zou aardig zijn geweest, ook al zou ik het aanbod toen hebben afgewezen).

‘Ik heb honger’, klaagde ik tegen Kumar. Ergens had ik het idee dat het niet de bedoeling was dat ik ging eten, anders hadden ze wel gevraagd of ik wou eten, zo gaat dat namelijk meestal.
‘Ga gewoon eten. Je moet toch eten’, zei Kumar met zijn Indiaas accent die ik erg kon waarderen. ‘Mag dat echt?’, vroeg ik twijfelend. ‘Ja natuurlijk’, zei Kumar. 
Ok, als hij het zegt, dacht ik. Tijd om te eten. Ik pakte een dienblad en liep naar de saladebar waar ik wat overheerlijke salades op mijn bord begon te scheppen, terwijl ik nog sterk twijfelde of het wel mocht.

Meneer de manager stond net de vitrine met drankjes bij te vullen en stapte op me af nadat ik twee lepeltjes salade op mijn bord had gekwakt. ‘Het is eigenlijk niet de bedoeling dat je nu gaat eten’, zei hij. ‘Dat mag wettelijk gezien pas als je meer dan 5 uur werkt.’ Ik stond van 11:00 tot 16:00 ingeroosterd.  5 uren...
‘Maar ik heb erg veel honger’, klaagde ik, ’ en ik mag altijd wat eten bij andere plekken als ik meer dan 4 uur werk.’  Ik viel bijna om van de honger.  ‘Ik kijk wel hoe ik het dan regel met je uren’, zei de man die ik steeds minder aardig vond lijken,' maar wettelijk gezien mag het niet’.

 ‘Waarom neem je geen pauze om te eten’, vroeg Kumar toen ik met mijn bord de spoelkeuken binnen liep. ‘Dat mag niet van de baas’, zei ik.  ‘Baas, welke baas’, vroeg Kumar. ‘Die man, ik ben zijn naam vergeten’, zei ik. ‘Niemand baas. Hond is baas, iedereen hier collega’s, ‘zei Kumar in zijn gebrekkige Nederlands. Kumar is geweldig. 




Kumar en Amanda waren mijn collega’s. Die man daar in het kantoor, was voor vandaag toch echt mijn baas, hij ging immers over mijn loon, had ik even pech. Ik moest niet vergeten meteen te bellen naar mijn uitzendbureau zodra ik klaar was met werken om uit te vinden hoe het wettelijk nou echt geregeld was met het hebben van pauzes, want mijn baas  van de dag mocht mij blijkbaar niet en mijn andere collega’s van de dag blijkbaar ook niet.

Ik probeerde de tranen die achter mijn ogen prikte niet naar buiten te laten rollen. Ik wou niet huilen. Ik mocht niet huilen. Ik moest niet huilen. Ik moest me niet laten kennen. Ik moest sterk zijn. Ik moest van alles. Eigenlijk moest ik een pauze hebben. Het was oneerlijk. 
Kumar merkte aan me dat ik niet meer zo vrolijk was als toen ik binnen liep. Iets in mij was veranderd, iets in mij was weer eens gebroken. Waarom mocht ik geen pauze nemen?

Ik was opeens mijn eetlust kwijt. Het was weg, maar ik moest toch eten. Ik besloot door te werken maar werkte tussen het afwassen door langzaam maar zeker, lepel voor lepel, een stuk of 4 lepels, mijn salade naar binnen.

Ik had geluk met Kumar. Kumar was mijn engel van de dag. Het was gezellig. Hij was grappig en ik was koppig. Hij gaf instructies en ik luisterde de eerste keer niet omdat ik koppig ben en de tweede keer niet om hem te plagen en daarna vergat ik het soms maar na een tijdje herinnerde ik het me weer. Zo moest het, volgens Kumar.

Ik liet binnen de kortste keren een glas vallen. Ik schrok een beetje maar ontspande al snel weer.  ‘Glasscherven brengen geluk’, zei Kumar lachend. De tweede keer viel er een kommetje. ‘Weer geluk’, grapte ik. Wij lachten. 

De anderen lachten niet, niet met mij tenminste.

Toen de tijd er op zat en ik mijn werkbrief had opgehaald bij de ‘baas’, ook al was er volgens Kumar geen baas ging ik op zoek naar Kumar om hem te groeten voordat ik vertrok. 
Ik kon hem nergens vinden maar ik wist dat Kumar en de schoonmaker het zo te zien goed met elkaar konden vinden. De schoonmaker was een vrolijke kalende man die het leuk vond iedereen elke dag 'de beste wensen' te wensen. Ook met hem kon ik lachen.  ‘Wil je de groeten doen aan Kumar voor mij, zei ik voordat ik het gebouw uit liep.





In de trein haalde ik de bordjes met de leukste teksjes die ik na het werken uit de keuken had gesmokkeld en in mijn tas had gestopt eruit, bekeek ze één voor één  en glimlachte.
Ze zouden ze toch weg gaan gooien. Ik mocht ze hebben van Kumar, omdat ik zo hard heb gewerkt. 
Waarschijnlijk had het van 'de baas' en de rest van mijn collega's niet gemogen. Daarom vroeg ik het ook niet. Het mocht van Kumar. 






De rest, krijg allemaal de kriebelhoest!






¹. spoelkeuken: De keuken/ruimte waar het vaatwerk (borden, bestek, keukengereedschappen, dienbladen etc. worden gewassen. Afhankelijk van de te verwerken volumes wordt handmatige of (semi-)automatische apparatuur toegepast

². Coffeecorner: Een bar in de kantine waar er koffie, thee en gebak wordt verwacht.


³. Koude keuken: De keuken/ruimte waar koude gerechten als rauwkost, koude vleessoorten en de desserts voorbereid en klaargemaakt worden. Gekenmerkt door de aanwezigheid van koel- en vrieskasten en (gekoelde) werktafels. De koude keuken is onderdeel van een productiekeuken. 

Geen opmerkingen:

Een reactie posten