Hij raakte me, met wat hij zei. Ik hield abrupt mijn mond.
Een meter of anderhalf van mij vandaan, zat hij op de houten bank, met zijn beige sokken tot halverwege zijn knieƫn.
Zijn korte broek was vaal. Ook zijn t-shirt had kleur verloren. Ik bibberde en trok de col van mijn winterjas wat hoger op.
Zijn verwarde haren bewogen in de wind. Een sigaret stak uit zijn mond.
Opeens stond hij op. Hij strompelde van me vandaan. Zijn voeten zwaaiden naar alle kanten. Hij zeulde een zwart tasje met zich mee, mompelend tegen alles en iedereen.
Tegen mijn verwachtingen in, stapte hij in een bus en ging zitten, hoofschuddend.Waarschijnlijk mompelde hij wat tegen de buschauffeur.
Mijn handen trilden.
Het is koud.', had ik gezegd. Heel normaal. Het was een gure dag en ik heb het altijd snel koud. Maar vandaag was het anders. Zijn reactie had me diep geraakt.
Ik heb het koud, dacht ik, toen de bus uit het zicht was verdwenen.
Zijn woorden echoden in mijn hoofd:'Niet zeuren jij.'

Geen opmerkingen:
Een reactie posten