Het voelde alsof ik een reis door de tijd had gemaakt. Ik zat waar ik vroeger zat, als de individu die ik nu ben. Een jongedame die haar witte tanden bloot durft te lachen, minder onzeker is en zich niet zo zeer meer om alles en iedereen bekommert. Voor de rest was er niks veranderd.
Ik zat aan tafel in de tuin bij de mensen, waar ik 5 jaar lang in perfecte harmonie naast had gewoond. De mensen die voor mijn neus zaten ken ik goed. Mijn buurvrouw en haar zus waren nog steeds dezelfde gezellige, luidruchtige kwebbeltantes. En mijn buurman en mijn buurjongen waren nog steeds de stille wateren met diepe gronden. En nog steeds wilde ik hem doorgronden, zoals hij daar zat, de jongen waarop ik 5 jaar lang smoorverliefd ben geweest. Dat smoorverliefde is verdwenen. Maar stiekem vind ik hem nog erg interessant.
Hij zat aan de andere kant van de tafel. Terwijl ik als zelfverzekerde jongedame met zijn moeder en tante, die naast me zaten, zat te kletsen wierp ik hem soms een blik toe. Hij keek naar boven. Hij sloeg zijn ogen neer. Hij pulkte aan zijn neus, waarop ik twee puistjes ontdekte, maar hij keek me niet aan. Hij vermeed mijn blik.
Zijn moeder en tante spraken verder, domineerden het gesprek en spraken voor zichzelf en de mannen, waardoor ik geen kans had om hem aan te spreken of iets te vragen.
Zou het er ooit van komen?
Hij had me 5 jaar lang nooit zien staan, maar nu zag hij me wel degelijk zitten, bij hem in de achtertuin.
Ik zal die noot eens kraken om erachter te komen hoe diep de gronden werkelijk zijn.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten