vrijdag 1 maart 2013

Walter, hè?




Ik ben als een cactus soms, dan ben ik prikkelbaar.
Dan ben ik als een bom, en dan dreigt er ontploffingsgevaar.
Er heerst dan een snijdende spanning, maar ik kom niet snel tot ontploffen.
Ik ben best goed in het opkroppen, gelukkig.
Maar ik heb echt een grote hekel aan bepaalde dingen en aan bepaalde mensen, gewoon zomaar.

Zijn naam is Walter.
Zodra ik een eerste blik op hem had geworpen plakte ik de label 'RAAR' op zijn oerlelijke voorhoofd, net boven zijn brilletje. Een specifieke stoornis kon ik niet toeschrijven maar ik gok dat het gaat om een stoornis in het autismespectrum of om een persoonlijkheidsstoornis.
Alles aan hem bezorgde mij de kriebels en niet de aangename soort.
Hij voldeed precies aan mijn stereotype beeld van een psychopaat.  'Hij spoort niet helemaal.', zeiden anderen. 'Alles aan hem is raar, zelfs zijn naam.'


Het was een raaskallende oen en daar moest ik het vier uur lang mee doen.
Wat een pech. Iedereen had medelijden met me, inclusief ik.
Zijn stem irriteerde me mateloos. Het was een stem alsof hij constant zijn neus stijf dichtgeknepen had. Er bungelde een stuk wild gegroeid vlees aan zijn neus dat een van zijn neusgaten versperde, merkte ik op toen ik hem wat beter observeerde. Dit verklaarde alles. Het verklaarde ook waarom ik hem kon horen hijgen als hij naar mijn gevoel iets te dichtbij kwam. Ik hield het liefst mijn afstand.

Mijn andere collega's verschenen om de zo veel tijd bij de deur.  'Gaat het goed?', vroegen ze dan, overduidelijk aan mij, maar Walter had dit niet door. 'Prima en met jou?', zei hij dan opgewekt.

Het groepje waarmee ik vandaag samen moest werken bestond uit een Turkse man, Nordin, een jonge blonde vrouw Judie, Gwendolyn een vrouw met blond-grijs haar die rond de vijftig oogde en Vergy en Parel. Vergy was duidelijk van Aziatische afkomst maar ik vond haar wat moeilijk te plaatsen.
Parel, zo noemde iedereen haar, maar ze heet eigenlijk Lai Chung wat parel betekent, is een korte vriendelijk uitziende Chinese vrouw. Het was een gezellig groepje mensen maar van alle mensen was ik uitgerekend met Walter in de spoelkeuken, een ruimte van 8 vierkante meter, opgescheept.

Ik keek om de haverklap op de klok. De tijd kroop voorbij. Hij werkte op mijn zenuwen.
 Ik probeerde rustig te blijven, want hoe moest ik anders de de dag doorkomen, hè. Hij bleek achter alles 'hè' te plakken.  Ik heb er een hekel aan als mensen dat doen. Soms doen docenten het ook. "Hè wat? Hè niks!', wou ik schreeuwen, maar ik hield me in.
Er restte nog een uur en het werd steeds moeilijker om mezelf te beheersen. Ik probeerde op een vriendelijke toon met hem te praten, maar de toon in mijn stem was veranderd en Walter leek het ook door te hebben.  Het leek alsof hij me express uit de tent probeerde te lokken en express op mijn tenen stampte, over mijn tenen walsde met een grote grijns op zijn gezicht. Tik tik tik, deed de bom.
Er restte nog een uur en het werd tijd om de vuile vaat uit keuken door de spoel te halen en heerlijk eten in de prullenbak te kwakken.
'Weet je wat dit is?', zei hij en hij wees op een wit goedje in een bakje. 'Het is kwark, wil je?' Om de een of andere reden maakte alleen die gedachte al mij kotsmisselijk. 'Nee bedankt.', zei ik op een vriendelijke toon.
Hij werkte de kwark naar binnen met een grote lepel. Een restje kwark bleef aan zijn linkermondhoek hangen. En daar moest ik het rest van het uur tegenaan kijken. Geen gezicht. Ranzig.

Het werk ging door. 'Wil je aardappelsalade, anders gaat het weg?'.
'Nee ik wil niet.', de toon in mijn stem werd weer wat harder. De inhoud van de bak werd geleegd in de prullenbak. 'Ik heb nog wat eten voor je.', zei hij weer. Dit keer negeerde ik hem.  Ik zei niks en keek niet op of om toen de overgebleven chilli con carne in de prullenbak verdween.
'Alles goed?' kwam Nordin weer vragen. Ik stond met mijn rug naar Walter toe, keek Nordin aan en rolde met mijn ogen.

'Hoe lang werk je al als uitzendkracht?', vroeg ik aan Walter toen Nordin weer was verdwenen.  Dit was een grote fout. Het liet hem denken dat ik werkelijk geinteresseerd in hem was en hierdoor begon hij nog meer te praten. 'Hij houdt niet op met praten!', had Parel opgemerkt.
De waarheid is dat ik dit alleen vroeg om er zeker van te zijn dat hij niet uit een gesticht was ontsnapt, die randdebiel.  Hij werkte al een jaar in de horeca, zei hij, maar daar merkte ik niks van. Hij liep me alleen voor de voeten en vroeg zich constant hardop af wat er nog te doen was. Van alles dus. Dit wist ik hem goed te vertellen.
Maar hij werkte dus echt een jaar in de horeca, voor die tijd werkte hij op een kantoor. Hoe was het mogelijk? Daarna was hij een tijdje grondsteward op Schiphol en nu was hij dus in de catering terecht komen en in de spoelkeuken, met mij.
Ik bedacht allerlei manieren om hem zo lang mogelijk uit de spoelkeuken te doen verdwijnen.

Eindelijk zat onze tijd erop. Toen het eindelijk zo ver was konden we elkaar allebei niet meer uitstaan. Ik kon hem niet uitstaan omdat hij me deed denken aan een psychopaat en hij kon me niet meer uitstaan omdat ik de hele dag had lopen rondbazuinen, zodat hij zichzelf nuttig maakte.

De spoelkeuken was nog steeds een grote puinhoop.  'Als je wilt gaan, kan je gaan, ik maak het wel af.' Ik probeerde van hem af te komen maar helaas. Zo makkelijk kwam ik niet van hem af. Hij bleef als een vervelende mug rondhangen totdat de spoelkeuken brandschoon was.

slechts een deel van de ketchupflessen op een plank aan de muur

Heinz, een aangenaam bedrijf om te werken. Een internationaal bedrijf, waar je men overal om je heen Engels hoort spreken.
Een gezellig bedrijf waar iedereen naar elkaar lacht en praatjes maakt.
Een leuk bedrijf met een tafelvoetbaltafel, waar mannen zich uit kunnen leven.
Een mooi bedrijf dat volhangt met afbeeldingen van producten en waar producten op planken aan de muur staan te pronken.
Het viel me meteen op, op elke tafel stonden een paar  flesjes ketchup.
Dat was wel te verwachten.





Ik gaf mijn ogen flink de kost, genoot van de sfeer, voelde me er prima op mijn gemak en liet zelfs Walter de pret niet bederven.
'Tot ziens, het was gezellig!', zei ik tegen de anderen toen ik wegging. 'Tot ziens!', zeiden zij.
Walter was de deur uitgelopen, zonder te groeten.
Die zie ik hopelijk niet meer terug.


Doei en tot nooit!






Geen opmerkingen:

Een reactie posten