Ik vroeg me af wat de connectie was tussen deze twee mannen. De andere man was wellicht zijn vader, dacht ik, en ze waren samen op reis geweest misschien.
De man die wellicht zijn vader was had al een half uur lang aan een stuk door gesproken. Ze voerden iets wat leek op een gesprek maar de jongere man antwoordde naarmate de reis vorderde met steeds minder woorden en de klank in zijn stem was elk spoor van enthousiasme verloren. Hij klonk vermoeid.
'Het was wel een mooie dag en we zitten hier wel lekker in de trein', ging de man die wellicht zijn vader was verder. De jongere man herhaalde zijn woorden. 'Ja we zitten hier wel lekker'. Ik vroeg me af of hij echt lekker zat. Hij nam de twee stoelen tegenover mij bijna helemaal in beslag.
Ik besefte dat ik niet echt had gekeken naar de man die naast mij had plaats genomen, dus af en toe draaide ik me even naar hem toe en bestudeerde het zijaanzicht van zijn hoofd. Hij kletste verder terwijl ik hem bekeek en zijn leeftijd probeerde te schatten. Hij was kalig maar nog niet echt gerimpeld en door zijn grijze haren stak nog wat donkerblond. Hij had een kastanjebruin hoedje op. Zijn neus golfde.
Zover was ik gekomen. Onbewust van de kleur van zijn ogen, ging ik weer verder met waar ik me mee bezig was en probeerde me af te sluiten van de stortvloed aan woorden, maar, tevergeefs, ik kreeg het allemaal mee. Het ging onder andere over eten en dat patat met pindasaus elke dag niet zo lekker is, en banen die leuker waren geweest als de oudere man opnieuw had mogen kiezen, architect of kunstenaar, en over de Marrokaanse dames met een hoofddoek in de supermarkt die heel aardig waren. Het voelde alsof mijn persoonlijke ruimte letterlijk en figuurlijk was beperkt.
Het halve uurtje had langer geleken dan normaal. De trein minderde vaart en stopte. De man die waarschijnlijk gewoon een vriendelijke, dikke man was en niet de zoon of iemand waarmee de oudere man samen op reis was geweest was opmerkelijk snel opgestaan en verdwenen, wellicht gevlucht. De oudere man zat nog steeds in zijn stoel, terwijl de trein al een tijdje stil stond bij het eindstation, Utrecht centraal.
Ik stond op om weg te gaan maar keek nog even naar hem om. 'Waar moet u heen meneer?' Hij antwoordde 'Arnhem' en bedankte mij dat hij naast mij had mogen zitten. Ik keek naar zijn vale olijfgroene trui met strepen, in wat andere kleuren die mij niet bij zijn gebleven, en de gerafelde rand en de gaatjes. 'Natuurlijk meneer. Het is een vrije trein, van iedereen', zei ik.
'Je was druk aan het schrijven maar ik vond het toch gezellig met jou.' Het enige wat ik tegen hem had gezegd was dat de rit van Den Haag naar Utrecht maar een half uurtje duurde toen hij tegen de dikke man vertelde dat hij het jammer vond dat hij geen broodjes en geen sap had gekocht voor onderweg
' You make me happy', ging hij verder. Daarna richtte hij zich tot wat anderen en de trein 'and you make me happy and you and you.' Er verscheen een grote lach op het gezicht van een van de passagiers, een Marrokaanse jongeman, tegen wie hij het het bedoeld had.
Toen hij eenmaal de aandacht had begon de oude man over zijn reizen naar Bali en toonde hij ons foto's die hij in zijn portemonnee bewaarde.
'Maar nu moet ik weer naar huis... maar ik wil niet naar huis', zei hij toen.
'Ik ben al 38 jaar alleen.'

Geen opmerkingen:
Een reactie posten