woensdag 15 juni 2016

Noem mij gerust conflictvermijdend.

Vanmorgen werd ik wakker met gemengde gevoelens.
Ten eerste was ik opgewonden omdat ik weer op pad zou gaan naar mijn vriend, die niet om de hoek woont.
Ten tweede was ik blij omdat ik een hele dag zou doorbrengen in het huis van mijn vriend.
Ten derde was ik nerveus omdat ik een hele dag zou doorbrengen in het huis van mijn vriend.



Nerveus, waarom in hemelsnaam, zou je denken? Kwam het misschien door de verliefde kriebels? Helaas.  De bewoonster van dat huis kende ik toen nog niet, maar ze was welzeer berucht. Mijn vriend had haar laten klinken als een monster en voor zo ver ik haar had mogen leren kennen leek ze dit ook echt te zijn. Ze had me een keer opgebeld en had mij uitgescholden over het gedrag van haar zoon, iets  waarop ik matig tot geen invloed heb omdat het een koppige jongen is die alles doet wat hij wil en niet echt nadenkt over wat de anderen in zijn omgeving hiervan vinden.
Hij, als man des huizes treedt hard op tegen zijn moeder. Hij en zijn moeder onder één dak, dat vraagt om problemen. En ik wist dat er altijd spanning heerste maar toch waagde ik me op een mooie dag in de hol van de leeuw.
Hij had me gewaarschuwd dat zijn moeder ruzie zou uitlokken juist omdat ik er bij zou zijn. Ik had hem gewaarschuwd dat hij zich moest gedragen als ik langs kwam omdat ik niet midden in een ruzie terecht wou komen.
Maar midden in een ruzie terecht komen bleek onvermijdelijk. Zijn moeder begon, kort nadat we in het huis arriveerden. Ze noemde hem waardeloos en lui en vertelde me dat zij het huis aan het schoonmaken was en alles moest doen omdat haar zoon zo lui was. Hoe kon ze dit zeggen waar ik bij was? Het erge is dat dit niet eens zo ongeloofwaardig overkwam. Ik kan me er best iets bij voorstellen.
Natuurlijk pikte mijn vriend dit niet. Hij zou haar niet over hem heen laten lopen maar hij had vooral totaal geen respect voor haar, zoals kinderen dat horen te hebben voor hun moeder, omdat zij, volgens hem, toch niet als zijn moeder aanvoelt.

Zij noemde hem boerenknecht. Hij noemde haar slaaf. En ze maakten er nog veel meer woorden aan vuil. Ik schudde zo onopmerkelijk mogelijk mijn hoofd, liet mijn hoofd zakken en richtte mijn betraande ogen naar de grond. Hiermee zou ik nooit kunnen leven. Dit waarin ik me bevond was gewoon regelrechte waanzin.







Opeens werd het woord tot mij gericht op een toon die ik al vaak genoeg had gehoord. 'Hij is lastig he?' Nu probeerde ze me tegen mijn eigen vriendje te keren. Ik wist niet wat ik hoorde. Dit leek wel een strikvraag. Ik mompelde een toestemmend antwoord. Op dat moment was ik ook best geirriteerd omdat mijn vriend zich uit de tent had laten lokken.  Maar ik gaf dit antwoord vooral om niet brutaal over te komen. Om eerlijk te zijn, ben ik wat bang voor zijn moeder en probeerde ik ook zo goed en zo kwaad als het ging een goede indruk op haar te maken.

‘Ga limoenen persen voor haar.’ Naar zijn smaak waren de limoenen niet goed. Uiteindelijk deed hij het. ‘Veeg de vloer en laat je meisje zien dat je ballen hebt.’ Hier had hij blijkbaar geen zin in want hij reageerde niet eens op wat zijn moeder zojuist had gezegd. Terecht. De manier hoe zij tegen hem sprak vond ik niet om aan te horen.
Etenstijd brak aan. De tijd was omgevlogen. We namen plaats aan tafel ‘Ga een glas water voor je vriendin inschenken, je hebt echt geen manieren’, brulde zijn moeder.
Hij zette een beker ijs met een klap voor me neer en daar moest ik het mee doen. Ik bracht de beker naar mijn mond en begon zonder te klagen op de ijsblokjes te kauwen. Daarna begon ik stilletjes het eten dat zijn moeder voor me had opgeschept naar binnen te werken. Zij nam zelf plaats op een bureaustoel en schoof deze voor de tv.


Waarschijnlijk leek ik in haar ogen op een uitgehongerde eindeloze put want de hoeveelheid eten die op mijn bord lag was wat overdreven veel. En ik had ook geen water, wat misschien zou helpen om de grote brokken zoete aardappel naar beneden te slikken, maar ik gaf geen kik. Noem mij gerust conflictvermijdend.
Toch had zijn moeder het door :’ Hoe kan je haar alleen een beker met ijsblokjes geven?!’ Nu werd hij boos. Zijn stem schalde door het huis:’ We zijn hier thuis. Niet in een hotel!’ Dit was voor mij de druppel. Als hij nu bij mij thuis kwam of in een hotel, altijd had ik gezorgd voor alles wat hij nodig had. Ik voelde me altijd heel goed als hij me achteraf bedankte en me lief noemde omdat ik zo veel voor hem had gedaan.
Ik zei dat het geen probleem was dat ik geen water had maar voordat ik het wist was zijn moeder al naar de keuken gestampt en had een beker ijs mèt water voor me gebracht. De uitdrukking op het gezicht van mijn vriend was naarmate de dag was verstreken veranderd van kwaad tot erger.


Zijn moeder vroeg op een aardige toon of het eten aangenaam smaakte. Ik zei, zo beleefd mogelijk, dat het erg goed smaakte. Ik loog niet. Ik had alleen wat moeite met het naar binnen schrokken van de twee grote stukken, gortdroge, zoete aardappel.
Net toen ik het gevoel had dat ik op het punt stond te ontploffen nam mijn vriend het bord van onder mijn neus vandaan en liep ermee naar de keuken. Ik volgde hem kort nadat ik een blik op zijn moeder had geworpen om er zeker van te zijn dat zij niet doorhad dat ik haar eten niet heb opgegeten.



‘Je hebt het niet aan de honden gegeven hè, maar in de vuilnisbak gegooid?’vroeg ik na een blik te werpen in de lege hondenbak. ‘Ja, natuurlijk heb ik het weggegooid’, zei hij. Wat een zonde,dacht ik .







Mijn vriend kon niet doen alsof hij dankbaar was voor het eten dat zijn moeder voor ons had bereid. Hij moest het duidelijk maken dat hij het de vorige dag ook al had gegeten. Dit vond ik zeer ondankbaar.
Zijn moeder schreeuwde hem soms bij zich en vroeg hem om iets voor haar te doen. Nee, je kon het geen vraag noemen, maar een bevel. Deze bevelen voerde hij vaak wel uit na een uiterst geïrriteerd gezicht te trekken en er hard bij te zuchten. Op een gegeven moment stond hij voor zijn moeder de muur in de keuken te verven en bood hij me de beste bureaustoel aan, zodat zijn moeder niet zou zeuren. Zijn moeder moest zich er natuurlijk mee bemoeien. Ik moet toegeven dat ik ook zou gaan kijken als ik har was. En toen ik het resultaat zag wat op de muur achterbleef dacht ik aan mijn vader die hem al lang een lesje had geleerd als hij hem zo bezig had gezien. Mijn vriend veegde de borstel heel nonchalant kriskras over de muur. Op sommige plekken bekladderde hij de muur met overtollig veel verf en op andere plekken kon je zien hoe de oude verf nog door de witgekalkte muur scheen.



Ik sprak hem er voorzichtig op aan. Hij reageerde door geirriteerd te zeggen dat het hem niet kon schelen hoe hij verfde en dat zijn moeder het zelf maar moest doen als ze er niet blij mee was.
Zijn moeder verscheen kort daarna in de keuken en observeerde haar werkende zoon een tijdje ‘Hij deugt toch wel voor iets hè?’ zei ze op een plagende toon tegen mij. Dit was genoeg om hem boos te maken. Hij schreeuwde tegen haar om geen slechte dingen meer over  hem te zeggen. Zij schoot toen keihard in de lach om haar 'oh zo grappige zoon'.





Later vroeg hij me om hulp bij het ophangen van wat kleren. Ik wou hem graag helpen maar ik merkte al snel dat het maar om twee broeken ging die opgehangen moesten worden.
Dit vond ik raar en daarna merkte ik dat er nog een mand kleren lag, die ik ook besloot op te hangen. Mijn vriend bemoeide zich ermee. 'Deze is niet van mij. Deze ook niet en deze ook niet.', hoorde ik hem zeggen terwijl hij de kleren uit de ene wasmand viste en in de andere gooide. 'Wat doe je’ vroeg ik toen aan hem, met een vaag vermoeden. ‘Ik gebruik maar een laken, niet drie’, zei hij alsof het de normaalste zaak van de wereld was dat hij weigerde ook het wasgoed op te hangen die hij niet zelf had gebruikt. Dit irriteerde me mateloos.

Ik bleef tamelijk rustig en probeerde hem te overtuigen deze kledingstukken toch op te hangen. Toen merkten we opeens dat alle kleren in die wasmand al droog waren. Voor mijn vriend was dit een grote opluchting.  ‘Ik ben klaar!’, riep hij op een vrolijke toon naar zijn moeder toen we het huis weer binnen liepen.

Rond 3 uur ’s middags kreeg iedereen zin in ijs. En met z'n tweetjes gingen wij dus op pad om ijs te kopen bij een mevrouw die in de buurt woonde.  Hij vond het zonde dat hij zijn eigen geld had gebruikt om zijn moeder en zusje op iets lekkers te trakteren. Toen hij de traktatie overhandigde eiste hij een dankjewel van zijn moeder. Hierop had zijn moeder te zeggen dat ze hem helemaal geen dankjewel verschuldigd was. ‘Jij zegt ook nooit dankjewel als ik kook of als ik je kleren was’, liet ze weten.  Hij kondigde toen aan voortaan zijn eigen kleren te wassen. Ik onderdrukte een lach, terwijl ik zijn zusje die achter de computer zat in lach hoorde schieten. 'Ik was mijn eigen kleren voortaan wel.' Geloofde hij het zelf?








We liepen naar buiten en ik keek koesterend naar het schattige hondje dat ik van de straat had gehaald en aan hem had gegeven. Het beest leek nog meer op een straathond dan ooit, met een uitgemergeld lichaam,  verwaarloosde vacht en met teken die op hun gemak van zijn bloed snoepten. Zo goed zorgde hij dus voor het hondje dat hij zo graag had willen hebben.
Mijn ogen vulden zich constant met tranen die ik probeerde te verschuilen achter een grote grijns, zodra zijn moeder met me begon te praten. Ik voelde me teleurgesteld. Tegelijkertijd voelde ik me een verrader. Ik had voor mijn vriendje op moeten komen ook al betekende dit zijn moeder tegenspreken. Dit deed ik niet. .






Onderweg naar huis hing er een plaatselijke storm boven mijn hoofd.
Ik hoopte stiekempjes dat de bus zou verongelukken. Ik zou niet dood hoeven te gaan maar ik zou wel in het ziekenhuis terecht moeten komen. Hier zou ik dan maandenlang verzorgd en vertroeteld worden. En ik zou dan niets om anderen moeten geven.

Een andere manier om voorlopig van al deze kopzorgen af te zijn was als iemand het een mooie dag vond om in de wilde weg rond te gaan schieten. Ik hield de man die voor mij zat goed in de gaten. Hij stak zijn hand wel erg vaak in de zakken van zijn vest en zijn blik flitste heen en weer. Ik hoopte dat hij op een gegeven moment een pistool tevoorschijn zou toveren, de bus zou kapen enzovoorts, maar dit deed hij niet.
Ik bekokstoofde in mijn hoofd nog meer kwade plannen om bijna maar niet helemaal aan mijn eind te komen. Ik sprak met niemand en als iemand naast me plaatsnam keek ik heel opvallend uit het raam. Je kon het in Keulen horen donderen.

Ik merkte dat de buschauffeurs mijn wisselgeld achterhielden. Maar net zoals veel andere dingen die om me heen gebeurden kon dat me op dat moment geen moer schelen. Ik wou naar huis. Naast mijn snode plannen spookte er nog meer door mijn hoofd. Ik wist me geen raad meer met de situatie. Het was iets wat ik niet kon veranderen. Ik kon het niet verbeteren maar was er zelf midden in terecht gekomen.
 ‘Het is niet altijd oorlog bij ons thuis hoor’ had hij gezegd voordat ik het huis bezocht.
‘Je bent altijd welkom’ zei zijn moeder toen ik het huis verliet. Ik kom nooit meer terug, dacht ik vastbesloten.


Ik was 18.
Een slechte relatie is een goed verhaal.



Geen opmerkingen:

Een reactie posten