Ik had mezelf geisoleerd van de twee mensen waarmee ik de avond had doorgebracht. Ik voelde dat zij daar behoeften aan hadden. Hij moest opeens plassen en zij had besloten om 'even mee te gaan'. Die twee hadden de hele avond wel erg dichtbij elkaar gezeten, hoofden tegen elkaar, armen om elkaar heen. Dat zei genoeg.
Twee anderen die ik tegenkwam op mijn weg terug staarden elkaar net op dat moment diep in de ogen. Ze keken op toen ik even tegen hen sprak. Op kamp gebeurd er van alles.
We zaten rond het kampvuur, met z'n zessen en spraken over van alles en nog wat. Het was alsof we elkaar al jaren kenden maar we hadden elkaar net ontmoet en zouden elkaar na dit weekend weet ik veel wanneer weer zien, of niet. Ik sprak een beetje met iedereen, zat er midden tussen in,
Het was 5 uur 's nachts. Mijn ogen brandden nog na van het kampvuur dat een rooklucht deed opstijgen uit het bos. Mijn haar, mijn kleding, alles rook heerlijk naar verbrand hout.
Ik had geen idee waar we waren, ergens in de buurt van Nunspeet. Het was wel 20 minuten rijden van het station. De plek waar we waren had geen naam. Het kampterrein lag ergens tussen boom 100 en 500. Ik voelde alsof ik in een Twilight film was gestapt. Het was alsof er elk moment een weerwolf tevoorschijn kon springen uit het bos. Maar ze hadden gezegd dat er alleen dikke, grote zwijnen rondliepen die je niet tegen wou komen in het donker, vooral niet als ze kleintjes hadden.
Ik probeerde nog wat te slapen. Ik lag in mijn tipi en staarde door het kleine gat boven mijn hoofd, naar de lucht die langzaam maar zeker opklaarde. Het was zondag. Weer een flinke dag voor de boeg en ik had nauwelijks een oog dichtgedaan.
Een kamp is geen kamp zonder kampvuur en je moet natuurlijk zo lang mogelijk rond dat kampvuur blijven zitten. We streken rond een uur of 12 neer rond het kampvuur neer. Iedereen sprak uitgebreid met elkaar, at wat, dronk, sommigen vertelden grapjes, roddelden, luchtten hun hart, deden een gek dansje of beweerden dat ze konden dj'en maar draaiden 'slechte' muziek. Ik kon er wel van genieten.
Maar het groepje om het vuur werd steeds kleiner naarmate de uren voorbij tikten en de ochtend naderde. Mensen vertrokken langzaam naar hun bed en de echte 'die hards' bleven achter, de hele gezellige, 'onverstandige' mensen. Ik genoot van de gezelligheid rond het vuur en van de hitte in mijn gezicht. We dachten niet aan morgen en genoten van de nacht.
Wij hadden genoeg om over te praten maar stiekem hadden ook wij wel door dat het eigenlijk het beste was om te gaan slapen. Het was al 5 uur 's ochtends. Ik overwoog om op het bankje naast het vuur 'uit te rusten', maar dat bankje was me net iets te smal. Toen ik besloot om toch maar naar mijn tipi te gaan liggen kon ik de slaap niet vatten. Mijn hoofd zat bomvol gedachten.
Kamperen haalde veel herinneringen bij me op. Ik besefte hoe erg ik het gemist had. Dat heerlijke natuurlijke, dat primitieve, dat simpele, gezellige.
Ik had veel mensen leren kennen het afgelopen weekend en ik had veel geleerd. Ik had verschillen opgemerkt onder ons maar vooral veel overeenkomsten. De grootste overeenkomst: We wilden allemaal groeien.
We konden het allemaal prima met elkaar vinden, maar samenwerken bleek moeilijker te zijn dan het leek. En daar moest aan gewerkt worden, dat samenwerken. We hadden, als opdracht, een puzzel moeten oplossen. De uitdaging was om erachter te komen welke twee stukjes van de puzzel misten.
We zaten in een kringetje, van jongens en van meisjes, stuk voor stuk geblindoekt met wat puzzelstukjes voor onze neus. We mochten alleen onze eigen puzzelstukjes aanraken en als we ze omhoog hielden werd ons verteld welke kleur ons puzzelstukje had. We mochten met elkaar praten en moesten zo de puzzel oplossen.
We gingen aan de slag maar het bleek een flinke klus te zijn. Binnen de kortste keren hadden we het eerste puzzelstukje ontdekt maar toen raakten we de kluts kwijt. Iedereen begon door elkaar te spreken en iedereen wou iets zeggen maar niemand wou luisteren.
Ik merkte aan mezelf dat ik naar voren begon te treden als leider maar ik deed bewust een stapje achteruit. Want ik besefte dat ik het soms moet laten gaan in plaats van altijd alles te willen oplossen. Maar anderen dachten precies zoals ik en sommigen vonden het allemaal best en deden helemaal niets, spraken amper: 'de ontlopers.'
Toen het ons niet gelukt was de puzzel op te lossen, was ik er heilig van overtuigd dat ze tegen ons gelogen hadden. Zij zeiden dat er een zwart puzzelstukje miste. 'Er zaten helemaal geen zwarte puzzelstukjes bij', zei ik. Ik moest meer op mensen leren vertrouwen, hoorde ik achteraf. Het zwarte puzzelstukje zat er wel degelijk bij. Moeilijke opdracht. Wijze les.
Het kamp zat vol zelfreflectie. Reflectie op jezelf en op anderen. Het ging om de vraag: Wie overleeft, wie ontloopt en wie werkt samen en hoe werk je samen?
Het was best frustrerend om constant op jezelf te moeten reflecteren. Het was confronterend om te merken hoe snel en onbewust ik van de ene naar de andere rol schakelde. Hoe snel ik zei dat ik er niks aan kon doen, dat het de schuld was van een ander (overleefgedrag). En ik merkte dat ik soms wat beter moest afstemmen op de behoeften van een ander en wat meer moest denken in termen van 'wij' en 'samen' (samenwerken).
Maar het ging automatisch. Ik had er eerder nooit bij stilgestaan en ik had er nooit erg in gehad. Maar toen ik er over na begon te denken, had ik er wel erg in en ervaarde ik constant die confrontatie.
En die confrontatie deed pijn. Maar het was eigenlijk toch fijn, die groeipijn.
Nog meer verhaaltjes over de avonturen op de YMCA:
- de nacht
- fun at the YMCA (English version of 'the nacht')
- overleven, ontlopen, samenwerken
- al zou de wereld vergaan
Geen opmerkingen:
Een reactie posten