
De gele bloemvelden verspreiden een vreemde geur, dat veel beter ruikt dan koeienvlaai moet ik zeggen, maar ze waren prachtig. Het had iets ontspannends om over de snelweg te rijden. Auto's raasden met 200 kilometer per uur voorbij..
We waren in goed gezelschap, bevonden ons in een gezellige sfeer. Iedereen deed zijn eigen ding. Ik genoot van een broodje chocoladepasta met
meer chocoladepasta dan brood en mijn reisgenote sliep terwijl ik kletste met
de chauffeur. De Chinese opa achter mij sliep met open mond met weinig tanden en snurkte met
zijn hoofd naar het plafond van de bus gericht. De oma’s tegenover mij bekeken
modebladen en kletsten over lippenstift. De buschauffeur tikte
volledig uit de maat van de muziek op zijn stuur.
Het zonnetje dat buiten scheen werd
gereflecteerd door de groene bladeren van de bomen die over de snelweg hingen
en door het groene gras waarmee de snelweg was omringd.
Het was een lange rit. Ik leende een tijdschrift. Een
modetijdschrift, omdat er ook mooie zinnen staan in een modetijdschrift. De
rest vond ik niet interessant. “Hij leeft in golven van botsende gemoedstoestanden”, las
ik. (Nouveau, mei 2014)
Ik had een mededeling en mocht door de microfoon praten. Het was spannend en ongemakkelijk en
ik sprak te snel.
‘Geluk is iets wat je overkomt, als je het tenminste laat
gebeuren. Als je maar om je heenkijkt en even ademhaalt.’
–Tamara van den Dop-
Een tijdje later zaten we ontspannen op een terrasje in de
zon, met een gezellig groepje rokers. De
geur was niet om uit te staan maar we besloten het uit te staan. Wat doe je er
aan? ‘Live and let live.’
Ik sprak met de moeder van Juan en haar Nederlandse man. Juan en zijn moeder komen uit Colombia, vertelde ze, terwijl ik dacht dat
hij Portugees was. Hij sprak gebrekkig Nederlands. Colombiaans dus, qué chévere! Ik probeerde met hem
te praten maar hij liet weinig los.
We reden weer
verder. Mijn hoofd voelde zwaar. Ik was moe maar vertikte het te slapen. Er was zo veel te doen. Er was
nog een uur te gaan. Binnenkort zou ik mijn telefoon weer aan kunnen doen en
zat ik er weer aan gekluisterd. Eerlijk gezegd had ik mijn contact met de buitenwereld niet gemist.
Ik vertelde grapjes
en raadsels in de bus. Mijn vader vertelt vaak grapjes, vandaar dat ik er best veel wist te vertellen. De mensen om me heen lachten.
Mijn reisgenote en
ik aten koude pizza als avondeten, als toetje magere kersen yoghurt uit de
Norma in Berlijn. We spoelden het geheel weg met een heerlijk kopje groene
thee.
We waren aangekomen in Beek en waren terug in
het lage platte land met de bruine, grauwe huizen en de grijze wolken. Ik mistte alle kleur die ik had achtergelaten in Berlijn.
We namen
afscheid van de ene buschauffeur en kregen een andere buschauffeur, die me uitlachte omdat ik
een dagboek bijhoud, maar stiekem deed hij het vroeger ook, gaf hij later toe. We moesten nog een uurtje rijden van Beek naar Den Haag.
‘Tot Sinas’, zei Marcel, toen we uitstapten. Het was een vriendelijk ogende man die ons
van te voren onze spullen in de bus hadden laten zetten en ons later vriendelijk
vertelde dat we wettelijk verplicht waren om onze gordels om te doen en dat de
verantwoordelijkheid daarna bij ons lag en dat er anders een bedrag van 170
euro’s in rekening zou worden gebracht als we werden aangehouden door de
politie.
Klik, klik, klik, klonk het door de bus.

'Tot Sinas' dus of 'tot Spezi.'
(een combinatie van Cola en
Fanta dat ik heb gedronken in het Italiaanse restaurant Ledi in Lichtenberg,
Berlin. Best lekker!)

Geen opmerkingen:
Een reactie posten